Godin III
Oeroude bron
aan de knoestige voet
van de drievoudige els,
die religieuze leugenaar
Het trage water uit andere lagen
rilt in voorzichtige ruitpatronen
over bemoste stenen keerkringen
de verre wereld tegemoet
Bedekt is de bodem
met bleekgouden bladeren
De cyclische mythe,
zo mannelijk verraden
Ik groet krentenbol
Dag gras, dag lucht, dag schapenwolk
Dag huis, dag deur, dag melk halfvol
Dag kamer, dag tafel, hé kijk een stoel
Bij het raam, ongewild, onredelijk doel
Wit van mijn groet, mijn wens te blijven
Tussen gras en lucht en levende lijven
Dag harde, houten stoel, noem mijn naam
Zeg nu, ga zitten, hier bij het raam
Waar het golvende gras, de te verre lucht
En veel te veel wolken te hard op de vlucht
Het verstikkende huis en de deur in het slot
en de melk halfvol, maar het pak flink kapot
en de kamer, de tafel, beladen met vuil
Achter het raam: honderd werelden schuil.
Dag gras, dag lucht, dag krentenbol
Dag huis, dag deur, dag overvol
Dag wereld, dag mens, dag allemaal
Dag poëzie ook en zelfs dag verhaal
Godin I
Spinsels vormen
steken treurtijd
op zilveren pennen
Tikketakke, tikketakke
Cyclisch breiwerk
Een sjaal voor de godin