Het meisje en de man

1590Het meisje was beslist het eenzaamste meisje van de wereld. Ze woonde in een klein huis, ergens middenachter ver weg. Elke ochtend at ze een kommetje yoghurt, elke middag een boterham en elke avond een bordje soep. Alleen. Na haar yoghurt veegde ze haar huisje en na haar boterham zat ze voor het raam. Maar er kwam nooit iemand voorbij.

Op een middag wilde het meisje uit het raam naar de stromende regen gaan kijken. Ze pakte haar stoel, zette ‘m voor het raam en toen… wat was dat?

Er stond een koffer op de stoep, ze zag het vanuit haar raam. Een totaal verregende koffer. Snel haalde het eenzaamste meisje van de wereld de natte koffer binnen en maakte ‘m open.

In de koffer zat een opvouwman. Dat was prettig voor het meisje. Maar de opvouwman was ook helemaal nat, net als de verregende koffer. Voorzichtig vouwde het meisje de man uit en hing ‘m te drogen.

1588Na verloop van tijd hoorde ze zachtjes kreunen. Bezorgd boog het meisje zich over naar de man, die zacht smekend vroeg of ze hem misschien alsjeblieft wilde omdraaien: het bloed stroomde zo naar z’n hoofd. Blozend maakte het meisje hem los en draaide hem om.

Toen de man droog was, haalde het meisje hem van de lijn en vroeg of hij misschien een kopje koffie bliefde.

Na de koffie vouwde ze hem voorzichtig weer op, legde hem terug in de koffer en zette deze weer terug op de stoep. Het regende nog altijd.

 

Anja Jager

De drager

1586Het zou een zondagmorgen kunnen zijn, maar waarschijnlijker is het gewoon een maandagochtend. Ook al luiden de kerkklokken in de verte en golven de diepe klanken onafgebroken over het land: waarschijnlijk een sterfgeval in een vertedorp…

De vrouw loopt wat moeizaam, het kasteel op haar hoofd is zwaar en het groeit nog voortdurend. Haar grauwe, sleetse rokken contrasteren sterk met de heldere kleuren van de zijden lap die het kasteel moet beschermen tegen de zon. Om haar schouders draagt ze een kleurloze, gehaakte omslagdoek, waarvan de patronen nog altijd vertellen van een consequent gehanteerde haaknaald; van avonden aan het haardvuur; van verhalen over ‘er was eens’. En van dampende stoofpotten met kool en uien en verloren druppels over harige rimpelkinnen. De vrouw loopt langzaam verder over het zandpad, langs velden, wilgen, een sloot. Vóór zonsondergang moet ze het kasteel hebben bezorgd bij de graaf. Ze weet het en ze kent de consequentie van haar opdracht. Maar ze denkt er niet aan.

Voet voor voet zetten. Lopen om te bezorgen. Wat is het gras hier groen en wat lijkt het zacht. Zal ik gaan liggen? Nee, ik zal geen gemakkelijke houding kunnen vinden met het kasteel op mijn hoofd. Bovendien kom ik dan misschien te laat. Het kasteel wordt duidelijk zwaarder. Wat een gele paardenbloemen! Zouden er al vlinders zijn? Ik heb ze dit jaar nog niet gezien. Nee, de vlinders zijn laat. Te laat voor mij, jammer. Ik had graag nog een vlinder zien dansen. Zo’n mooie blauwe of een koninginnepage. Ach… de koningin! Ik had gehoopt op de koningin, maar het is de graaf geworden. Ik moet naar de graaf. Zou zijn bloed net zo blauw zijn als de vleugels van de blauwe vlinders? Het kasteel blijft maar groeien. Wordt steeds zwaarder. Wat schijnt de zon vandaag! Het is al bijna warm, terwijl de dag nog niet eens halverwege is. Ik heb dorst. Voorzichtig door mijn knieën zakken bij de sloot. Drinken uit mijn hand. Kikkertjes en kroos. En schrijvertjes. Die al wel. De vlinders zijn echt laat dit jaar, ik heb zelfs nog geen koolwitje gezien. Lekker, nog een paar slokjes.

Moeizaam komt ze weer overeind, het kasteel wiebelt, maar staat stevig genoeg; valt niet. Ze vervolgt haar weg over het zandpad, langs de velden, de wilgen, de sloot. Ze luistert naar vogels en krekels; de klokken zijn nu stil. Ze ziet alle verschillende kleuren groen en blijft zoeken naar vlinders. Ach toe, één vlinder maar…

Haar benen verslappen; het lopen wordt schuifelen. Het kasteel blijft groeien en de warmte wordt hitte. Het zandpad lijkt een gloeiend lint; de te groene struiken langs het pad vormen een eindeloze loopgraaf, hitte verlamt de waarneming. De vrouw verliest haar gedachten, haar gevoelens en uiteindelijk zichzelf tijdens deze eindeloze tocht. Voetje voor voetje voor voetje. Dat is alles nog.

Dan wordt ze teruggeslingerd naar het zandpad; de dwerg springt zo plotseling voor haar voeten, dat haar vracht even gevaarlijk naar voren helt. Ze hervindt haar balans en dan is ze er weer helemaal, de vrouw. Ze staat stil en kijkt de dwerg vragend aan. Opgetrokken wenkbrauwen duwen de zijden lap iets omhoog.

‘Zooo…’ tergend rekt de dwerg de o-klank, die gaat meezoemen met de insecten in het veld. ‘Een jonge vrouw met een prachtige zijden vracht. Dat doet mij plezier…’ Terwijl hij de klank van zijn ‘zooo’ langzaam naar boven omkrulde, trekt hij zijn laatste lettergreep eindeloos naar beneden. De vrouw – eenmaal gestopt en uit haar ritme – kan zich niet meer bewegen. Te moe, te warm en de dwergenstem is te dwingend. Ze antwoordt niet, wat moet ze zeggen?

‘Zeg deerntje, laten we er geen doekjes om winden, ghè, ghè, ghè’, gegrinnik als rasperig verslikken in droge koekkruimels; zijn eigen grap bevalt hem. ‘Als jij me nu snel je vracht overhandigt, laat ik je gaan en kun je voor zonsondergang de stad bereiken, sjlah, sjlah, sjlah…’ Het geslis leidt haar af, heel even denkt ze aan thuis, het geborrel en gesis van de grote stoofpot boven het vuur. Dan staat ze weer op het gloeiende pad.

‘Nee… nee’, zegt ze eerst wat aarzelend, ongearticuleerd. En dan beslister: ‘Nee.’

‘Oooh’, deze keer maakt de klank een bruggetje, een boogje, ‘Oooh, mevrouw zegt ‘nee’. En denkt mevrouw dat dat voldoende is? Dat mevrouw in deze kwestie geheel zelf kan beslissen?’ De vrouw lijkt heel even te aarzelen en trekt dan in één beweging de kleurige lap van haar hoofd: ‘Kijk!’ Het kasteel, alweer verder gegroeid, blikkert en blinkt in al z’n nieuwheid, de torens fier, het gouden familiewapen fonkelend, de vlaggen wapperend, de ophaalbrug uitnodigend op het punt neergelaten te worden. De dwerg verbleekt, krimpt.

‘Dat wist ik niet’, brengt hij krakend uit. Als een vogelkop beweegt zijn roestige tronie op en neer, vorsend blijft hij haar vanuit alle houdingen aanloeren. Dan herneemt hij zich en vraagt haar dwingend: ‘Dek toe, die lap… trek die lap er weer overheen!’ De vrouw kijkt hem vlak aan en trekt met rustige bewegingen de zijden lap weer over het kasteel. Ze knoopt de einden aan elkaar en blijft dan afwachtend staan; terwijl de dwerg nog altijd voor haar hurkt. Dan maakt hij een gebaar met zijn linkerhand, een voorzichtige wenk, terwijl hij de stok in zijn rechterhand naar haar ophoudt.

‘Neem deze maar’, mompelt hij nauwelijks verstaanbaar. ‘Neem deze en vervolg je weg. Moge het pad je gunstig gezind zijn, zodat je tijdig je vracht kunt afleveren.’ De dwerg buigt zijn kop en verdwijnt net zo plotseling als hij verschenen is.

De vrouw neemt de wandelstok en merkt hoe nieuwe kracht zich langzaam door haar vermoeide lichaam verspreidt. Met opgeheven hoofd vervolgt zij haar tocht, ze zal de stad bereiken voor zonsondergang.

Laat op de middag ziet ze de torens van de stad boven de varens rond haar pad verschijnen. Even later kan ze ook de muren met de hoge kantelen zien. Nog even en ze zal de gracht bereiken, de brug oversteken en zich melden bij de poortwachters. Vlinders heeft ze niet meer gevonden.

‘Zo vrouwke’, zegt de kleinste poortwachter spottend. Hij spuugt wat met speeksel vermengde blaadjes uit; de klodder spat net voor de voeten van de vrouw op de keien. Zijn kompaan tuurt ongeïnteresseerd naar de einder, met zijn rechterschouder hangt hij in een vreemde hoek tegen de deurpost van het vieze wachtershok. ‘En wat mag er wel onder die doek zitten? Je wilt toch zeker geen varken de stad in smokkelen, heei?’ Er rolt een bulderende lach over zijn vlezige lippen, het geluid lijkt te groot voor zijn gedrongen gestalte. De vrouw antwoordt: ‘Nee, ik heb een vracht voor de graaf en ik moet hem deze voor zonsondergang bezorgen.’ Dan zwijgt de man, neemt haar bij de arm en leidt haar naar het marktplein. ‘Daar’, wijst hij nog, voordat hij zich omdraait en terugloopt.

De vrouw kijkt om zich heen, nieuwsgierig naar deze vreemde, grote stad en verbaasd over de hoeveelheid mensen. Dan beseft ze dat ze nog weinig tijd heeft en loopt door. Ze klopt aan bij de graaf. Een strenge vrouw met een wit kapje strak rond haar magere gezicht opent de zware deur: ‘Je wordt verwacht, volg mij’.

De graaf zit aan een lange tafel te werken: een wat gebogen man met een ruime mantel waarin hij zich ‘s avonds bij het haardvuur terugtrekt. Zijn diepliggende ogen verliezen zich meestal in de cijfers op zijn werktafel, maar dwalen soms loerend door de ruimte, over het marktplein, door de kroegen van de stad, waar zijn blik dan blijft hangen aan de jonge meiden die met hun vrijers een kroes bier komen drinken.

1587Even kijkt de graaf langs de vrouw heen – zijn hoofd is nog bij de contracten op zijn tafel – dan ziet hij haar staan en beseft hij dat de belofte is ingelost: daar is het kasteel! Eindelijk! Snel staat hij op, zijn blik niet langer op de vrouw gericht, maar op de zijden lap. Begerig grijpt hij een punt en trekt deze over de torens heen, ‘Ah… Ja, dat is het. Zo moest het worden. Mijn kasteel… Eindelijk!’ In gedachten beklimt hij al de trappen naar de torens, kijkt uit over zijn stad en velden, terwijl hij terugloopt naar zijn tafel om te bellen. De strenge dienstbode verschijnt onmiddellijk. ‘De knechten. Nu!’ Enkele minuten later staan er vijf stevige knechten in de deuropening. De graaf wijst hen hoe ze het kasteel moeten oppakken, zij nemen het eindelijk de vrouw van haar hoofd terwijl de graaf de zijden lap er weer overheen hangt en dragen het voorzichtig de stad uit, de gracht over, de heuvel op, dáár moet het kasteel komen: de graaf heeft er een prachtig uitzicht over de stad. Als het kasteel – dat inmiddels bijna te zwaar is voor de mannen – op zijn definitieve plek staat, keert de graaf terug naar de stad. De vrouw wacht nog op hem in zijn werkkamer, ze staat onbeweeglijk.

Nu bekijkt de graaf haar wat beter: jong is ze nog, weliswaar armoedig gekleed maar ze heeft een aardig gezichtje. Een stevig jong lijf… Jammer wel. Hij gebaart haar hem te volgen naar de binnenplaats van het grote huis, waar zij haar hoofd op een molensteen legt. Met één haal slaat hij het eraf. Toch jammer, denkthij nog heel even; het volgende moment is hij haar vergeten.

De vrouw wordt begraven buiten de stad aan de voet van de heuvel. Stil ligt ze onder een wilg, oude aarde drukt zwaar op haar bleke lichaam. Boven het graf vliegt een hemelsblauwe vlinder.

 

Anja Jager

Blote billen in de Zuiderzee

1584Op zondagmiddag zwemmen de waternimfen in de Zuiderzee – die nu natuurlijk ‘IJsselmeer’ heet – in hun blote billen. Dat doen ze al eeuwen en bijna niemand weet meer waarom.

Lang, lang geleden, toen de palingen nog konden vliegen en de zeemeerminnen nog niet verjaagd waren, woonde er een knorrige, maar oh zo ijdele kikkerkoning aan de rand van de Zuiderzee. Dat was bijzonder, want de meeste kikkers houden niet van zout water. Maar volgens deze kikker hielp dat zoute water zijn gevoelige huidje juist mooi eeltvrij te houden. De kikkerkoning woonde met zijn hele familie – broers, zussen, neven, nichten, aangetrouwde en inwonende kikkers; kikkers nemen dat allemaal niet zo nauw – onder een groepje knotwilgen, niet ver van Enkhuizen. Ze hadden daar aan die waterkant zo hun eigen manieren, hun eigen gewoontes en hun jaarlijks terugkerende, vijftigstemmige kwaakconcert op de langste zomernacht.

Ze hadden ook één heel grote angst: de angst voor de man met het schort en de hoge witte muts op zijn hoofd. Elke vrijdagmorgen kwam deze man met een grote, rieten mand aan zijn linkerarm naar de knotwilgen. Hij zette zijn mand op een platte kei, deed zijn schoenen uit en rolde zijn broekspijpen op. Dan liep hij voorzichtig het water in, terwijl hij in zijn rechterhand een klein schepnetje omhoog hield. De meeste kikkers hadden zich tegen die tijd al diep in de Zuiderzee-modder verstopt. Maar je had altijd een paar domme, jonge kikkertjes die niet goed opletten. Of bijvoorbeeld die domme, oude Barend, die op een mooie zomerdag gewoon op een groot plompeblad bleef zitten om ‘nu eens precies te zien, wat die merkwaardige man nu toch eigenlijk deed’. Barend heeft het zijn familie niet kunnen navertellen.Het ging om de billen. Zoveel was zeker. Dat hadden verschillende kikkers de man horen mompelen: ‘Wat een mooie billen. Wat een prachtige billen!’ Maar waarom en waarvoor… Ze hadden geen idee.

Op een vrijdagmiddag – toen er weer tien familieleden waren verdwenen – riep de Kikkerkoning met overslaande stem: ‘Genoeg! Nu is het genoeg geweest!’ en hij sloeg met z’n rechtervoorpoot kleine golfjes op het water. Hij sloot zijn ogen en wuifde zich koelte toe met z’n linkervoorpoot. ‘Ik zal vanaf nu elke zondagmiddag alle kikkerbilllen bekijken. De kikkers met de mooiste billen moeten weg. Weg! Zij moeten aan de overkant gaan wonen. Ik wil hier geen mooie kikkerbil meer zien! Misschien stoppen de kikkerontvoeringen dan!’ Zijn grote familie schrok: de overkant, dat was iets verschrikkelijks. De overkant, daar kwam beslist niets goeds vandaan. En trouwens, misschien bestond die overkant niet eens, fluisterde de kikkerfamilie. Niemand was immers ooit aan de overkant geweest. Maar de knorrige koning tegenspreken, was ondenkbaar en dus werden er die zondagmiddag tien plompebladen naast elkaar gelegd. Alle kikkers moesten er achter elkaar overheen lopen. En daarna zo mooi mogelijk in het water duiken. De koning zat op zijn troon van wilgetenen en palingschubben mopperend toe te kijken: ‘Hoe kan ik hieruit nou kiezen? Al die billen zijn mooi. Kikkers hebben nu eenmaal prachtige billen. Neem mij! Mijn billen zijn altijd prachtig geweest: stevig en gespierd, maar toch vlezig en met prachtige rondingen… Grmpf, kwaak, knor.’ En hij gaf met z’n kikkerpoot een tevreden klopje op z’n rechterdij.

Een voorbij zwemmende Zuiderzeenimf zag de kikkeroptocht en hoorde de kikkerkoning mopperen. Ze bleef van achter de wortels van een wilg even verbaasd toekijken en dook toen omlaag, naar haar zussen. ‘Moet je nou toch eens horen’, proestte ze het uit, ‘die oude kikkerkoning is zo’n ontzettende ijdeltuit, hij heeft het over zijn mooie billen, ha, ha, ha.’ En ze vertelde wat ze had gezien. Alle nimfen barstten uit in een onbedaarlijk lachen. En ze bleven lachen totdat de oudste zus zei: ‘Maar luister eens, waarom doen ze dit? Wat is er eigenlijk aan de hand?’ Ze besloten het jongste nimfje naar de kikkerkoning te sturen om eens navraag te doen.

Dat viel nog niet mee. Ze werd eerst weggestuurd, de knorrige koning had helemaal geen zin in zo’n bemoeial. Maar na de derde keer aandringen, gaf hij toe. Hij duwde zijn kroon mooi recht, schikte zijn mantel, steunde met z’n kikkerkin bevallig op z’n linkervoorpoot en vertelde toen het verhaal van de Verschrikkelijke Vrijdagman. Met zijn rechtervoorpoot maakte hij bevallige krullen in de lucht om zijn verhaal kracht bij te zetten. De kleine nimf luisterde en knikte. Voor ze wegzwom, zei ze: ‘Ik denk dat ik een oplossing weet’.

Eenmaal beneden bij haar zussen, riep ze: ‘Kom! Aan het werk!’ En zo gingen een paar nimfen wieren verzamelen, anderen zochten rechte wilgentakken en al snel zaten alle nimfen te breien. Donderdagavond zo rond half acht doken er vijf nimfen op voor de troon van de kikkerkoning. ‘Sire’, sprak het kleinste nimfje, ‘ik beloofde u zondag een oplossing. Kijk, dit zijn zwembroekjes voor alle kikkers. Zo zal de verschrikkelijke man geen enkele kikker meer willen meenemen, want er zal geen bil meer te zien zijn.’ Heel even bleef het stil. ‘WAAAAT?!’ brulde toen de koning. ‘Een broekje over onze prachtige kikkerbillen??? Geen sprake van! Nooit! Elke kikker is trots op z’n billen! Wij…’ Maar er hadden zich al heel wat kikkers om de nimfen heen verzameld die maar al te graag een wierbroekje wilden aantrekken. Het leek ze een uitstekend idee. Veiligheid vóór alles! Dus de nimfen draaiden zich om en deelden hun breibroekjes uit aan de hele familie.

Vanaf die donderdag is er nooit meer een kikkertje verdwenen. De vreselijke man vertrok die vrijdagmiddag klagend met z’n lege mand en z’n schepnetje en is nooit meer teruggekomen. En de Kikkerkoning? Voor straf moest die vanaf dat moment toezien hoe elke zondagmiddag de Zuiderzeenimfen voorbij kwamen zwemmen in hun blote billen.

Gewoon, om ‘m een beetje te plagen!

 

Anja Jager