Vlindervinder

Vlindervinder, vissenvanger
Halve hagedissen banger
Halve hagen hangen over
Dissen voor de kat, de rover
Vlindervinder, vissenvanger
Net niet

Eind der tijden

Achter de wachters

Ruitpatronen van licht op het terugkerende water
Water-wachter, wachter op wat er was

Tussen de palissaden
Het wachter-water in de luwte
Willige wieren grijpen naar bleke tenen
Reikende armen richting wachters

Anja Jager

Eeuwige cirkels

Kijk, daar zit ze weer
Twee symmetrische driehoekjes zee – haar decor
Dubbele rij palissaden – de coulissen
waartussen haar wetten vast klaarliggen

Een apocalyptische vrachtwagen trekt sporen in het koele zand
Zij neemt niet waar, verroert niets
Wandelaars passeren, merken haar niet op
Niet zien – niet gezien worden
Ik blijf staan. Zij blijft gehurkt.
Zij gevangen in zoeken. Ik in kijken.

Eb wordt vloed wordt eb wordt –
Zij is de verbinding tussen heen en weer
Lijnenspel met cyclisch wetboek
Als alles wervelt, vormt zij de spil

Anja Jager

Treurige terzines

Ik voel mij lichtelijk bezwaard:

ik heb uw sofa, dat gedrochtelijk gevaart’
opnieuw bekleed; ik ben extreem verhaard

 

Ai, mijn lief, vandaag geen scène
Ik blijf roerloos, zonder gène
Alles wijkt vanwege m’n migraine

 

Knoestiger dan een winterpeen
is mijn pijnlijke winterteen
Ik strompel, schuifel, sleep mij heen

 

Vandaag ga ik met u niet op de vuist
Houd in uw zakken, die knoestige knuist
Ik heb op mijn wang één reuzenpuist

 

U vindt mij lichtelijk extreem,
maar ik ben vastbesloten en ik neem
afscheid vanwege mijn eczeem

Pulvergeluk

Meisje, pluisje
Pluisje, meisje
Meisje wijst de pluisjes reis
Pluisje pulvert pluk voor pluk
Meisje grijst
Illusie stuk

Anja Jager

Muntthee

De bleekgroene nerf trekt
een grillige verhaallijn
in het gekwetste glas
Het blad plooit zich
schijnbaar onverschillig
naar de belofte van thee

Dan trekt de tijd
nog slechts draden
van bleekgouden honing
stroperig krullend
in het weekgroene vocht

Kleine katharsis

Niet de ommuurde, gestrekte blik
Niet het gerekte, bevlekte lijf
Niet de blauwdooraderde,
maar toch zelfbewuste knieholtes
Zelfs niet het identieke,
maar toch zo gescheidene
Nee, dat niet
Maar wel de abrupt getoonde
fluwelen voetzolen

Anja Jager

De schilder

Zijn dag verblijft
tussen bruinen en grijzen
Donker is de blik
van de schilder
Vonken vangen slechts
Kom, kan en fles
Maar zijn beelden
– eenmaal geplaatst
op het platte paneel –
ademen in ragfijne
nuances zacht
alle woorden voorbij

Anja Jager

Scheiding

En dan was ik het kind
En dan ging ik buiten spelen
En dan was jij groot
En dan bleef jij binnen
Met de meubels
De poezen
Het konijn

Met de kinderen
En de Boretti

En dan was ik mijn sleutels vergeten
En dan was ik buitengesloten.

Pagina 1 van 212